Lieve allemaal,
Als eerbetoon aan mama, schreef ik haar deze brief, die ik met jullie wil delen.
Dankjewel om te beluisteren, te lezen.
Liefs,
Gwen
xxx
Lieve mama,
Vandaag is het 10 jaar. 10 jaar geleden veranderde mijn leven voor altijd. 10 jaar geleden stortte mijn hele wereld in. Plots, uit het niets, was je er niet meer. Mijn mama, mijn mooie, lieve, sterke mama. De persoon met het hart van goud, die altijd en overal voor iedereen klaarstond. Plots was je er niet meer. Jarenlang vluchtte ik in mijn verdriet, jarenlang kropte ik al mijn emoties op en verborg ik mijn tranen in mijn lach. Tot het gewoon niet meer lukte…
12 april 2011, iets voor acht. Moeke kwam me wakker maken die ochtend. Ik was daar blijven slapen, want het was vakantie en jij moet vroeg vertrekken naar je werk. En omdat ik die ochtend niet vroeg zou moeten opstaan, bracht je me de avond ervoor al naar moeke. We zongen toen nog luidkeels mee op de liedjes van Clouseau en je zei dat je het zo jammer vond dat er dit jaar geen concert zou zijn. Want wat had je me graag voor een vierde keer meegenomen naar hun concert in het Sportpaleis. Ik had nooit verwacht dat De Laatste Ronde ook echt het laatste concert ooit zou worden waar we samen heen konden gaan. En ik had ook nooit verwacht dat dat autoritje het laatste ooit zou worden samen.
“Schatje… wakker worden… Mama is niet goed geworden op de trein…,” met die woorden maakte Moeke me die ochtend wakker. “Tante Petra en meme zijn onderweg naar hier, we gaan naar het ziekenhuis, dus kleed je snel om!” De rilling en angst in haar stem… ik ga ze nooit vergeten. Niet goed beseffende wat er aan het gebeuren was en nog half in slaap stapte ik in de auto bij Tante Petra. En we vertrokken… naar jou.
Toen we daar aankwamen zagen we Sandra staan. Ze had duidelijk geweend. En toen zij ons zag, viel ze ons meteen in de armen. Papa was er ondertussen ook. De dokters kwamen bij ons. “We denken een hersenbloeding, we gaan nu opereren.”
Ik zag hoe ze jou naar het operatiekwartier reden, alles moest heel snel gaan. De rest van de dag is één grootte waas. Ik weet wel dat we daar lang hebben gezeten, eerst op de stoeltjes in de wachtzaal en erna in de cafetaria. Want ja, we moesten toch iets eten?
Ik dacht toen: “Mama gaat gewoon weer mee naar huis, is het niet vandaag? Dan over een week of twee. Net zoals pepé ook altijd weer mee naar huis kwam nadat hij in het ziekenhuis had gelegen.” Maar… je kwam niet meer mee naar huis.
Er gingen bijna twee weken voorbij. 11 dagen vol zorgen, vol stiltes aan de keukentafel, vol verdriet, en met af en toe een sprankeltje tevergeefse hoop. Het werd duidelijk dat je niet meer wakker zou worden. De dokters konden niets meer doen. Want die hersenbloeding bleek een hersentumor te zijn. Eentje die al een tijdje aan het wroeten was in je hoofd. We moesten je laten gaan. En op 23 april, in de namiddag, toen stopte je met ademen en stopte je gouden hart met slaan. Je was er niet meer.
Het was papa die de vreselijke taak had om aan mij het nieuws te vertellen. Want ik was er niet toen jij je laatste adem uitblies. Want dat wou ik niet. Ik wou je herinneren zoals je was, en niet met duizend draadjes om je heen. Dat had ik bij pepé al gezien en wou ik niet bij jou. Papa zijn blik zei meer dan duizend woorden. Ik wist genoeg. Hij hoefde ze zelf niet uit te spreken.
Het is een moment dat ik me nog altijd heel goed herinner. En heel gedetailleerd. Het speelt zich nog vaak af in mijn hoofd. Een trauma heet dat. Het voelde alsof de grond van onder mijn voeten werd weggetrokken, alsof ik in een diep gat viel zonder de bodem ooit te raken. En dat moment is vandaag 10 jaar geleden. Het was niet het einde, maar de start van een hele lange weg, zonder dat ik het op dat moment eigenlijk besefte.
In de week tot de begrafenis moest er van alles geregeld worden. Mijn 13de verjaardag viel ook in die week. En om toch iets te doen, gingen we dan maar shoppen. Kleren kopen voor de begrafenis. Want ja, we moesten het toch een beetje vieren. Die week werd ook gevuld met heel wat tranen, verdriet en ijzige stiltes aan de keukentafel. Want wat moesten we zeggen? We konden niets zeggen. Dat ging gewoon niet. Geen enkel woord, geen enkele zin kon omschrijven hoe wij ons toen voelden. Hoe het voelde om jou te verliezen. En hoe moesten wij in godsnaam verder? Zonder jou.
De dag van de begrafenis, is een dag dat ik mij niet meer herinner. Ik weet dat ik die dag ben opgestaan en ben gaan slapen. Maar alles ertussen is gewoon weg. Foetsie, verdwenen. Dat is wat de kater van verdriet met je doet, denk ik. Ik weet alleen nog dat er enorm veel mensen waren. We hadden de grootste zaal gekozen, omdat we wel hadden verwacht dat er veel mensen wouden komen om afscheid van je te nemen. Maar ze stonden nog tot buiten recht. Die mensen waren er allemaal voor jou. Om afscheid te nemen van jou. Zo geliefd was je, mama. Dat was wel duidelijk.
In de weken die volgden kregen we enorm veel steunbetuigingen, briefjes, kaartjes, telefoontjes, en de typische ‘Als er iets is, als we iets kunnen doen, dan moet je maar bellen hé’. Na een tijdje werden die steeds minder en minder… Logisch. Het leven gaat door. De wereld blijft draaien. Ook wanneer mensen sterven en je niet meer weet hoe je moet doorgaan en hoe je moet meedraaien op die wereldbol. Het is niet dat mensen echt vergeten wat er is gebeurd, maar zij kunnen sneller terug meedraaien.
Dus dat besloot ik ook te doen, dat meedraaien. Maar alleen deed ik dat op de foute manier. “Het gaat wel.” “Er is niets.” “Ik voel me prima.” “Ik kan het alleen.” Dingen die ik zei met een grote lach, in de hoop dat mensen het zouden geloven. Dat deden ze ook, gelukkig. Maar daardoor begon ik het zelf ook te geloven. Alleen, niets was minder waar. Want achter die grote lach, schuilden ogen vol tranen en een hoofd vol opgekropte emoties.
Moeke kreeg in september 2015 een ongeval. Ze werd aangereden op haar fiets. Het had echt niet veel gescheeld of ik was ook haar kwijt. En na bijna 5 jaar met die grote lach en opkroppen van mijn gevoelens, zeiden mijn lichaam en mijn hoofd plots ‘error’. Het besef dat ik jou kwijt was, kwam pas toen ik besefte dat ik moeke bijna kwijt was. Het sloeg plots keihard in als een bom op een slagveld van een oorlog. Het ging niet meer. Ik kon het niet meer opkroppen. En die lach, waar ik ondertussen zo goed in geworden was, geloofde ik zelf ook niet meer.
“Het gaat niet.” “Er is wel iets.” “Ik voel me niet prima.” “Ik kan het niet alleen.” Dingen die ik had moeten zeggen, maar niet durfde. Want in mijn hoofd hoorde ik telkens “Je bent zo sterk. Ik zou het echt niet kunnen. Ik heb respect voor u” Dingen die mensen met alle goede bedoelingen zeiden, maar. Als mensen dat zeggen, zeg je dan dat je je niet goed voelt? Dat je niet zo sterk bent als mensen denken? Nee.
Je steekt het weg, maar het wordt alleen maar erger. Je probeert te doen alsof er niets aan de hand is, maar daardoor verander je. En ben je niet meer jezelf. En de mensen, je vrienden, tegen wie je het wil vertellen dat je je echt heel slecht voelt, en dat je je elke avond in slaap huilt, die keren zich dan, al dan niet beseffend, tegen je. Dan durf je het al helemaal niet meer te zeggen. En de vrienden die je wel nog kan vertrouwen, vertrouw je er ook niet mee. En misschien had je daar wel alle reden toe.
Je durft er niet over beginnen thuis, want zij hebben het ook moeilijk. Zij hebben ook nog steeds verdriet. Wat als je de oude wonde weer opent door erover te beginnen? Hoe gaan ze in godsnaam reageren als jij nu vertelt dat je eronderdoor zit? Je kan hen toch niet lastigvallen met jouw verdriet, dat kunnen ze er echt niet bij hebben.
Dus, wegsteken maar. Maar daardoor werd ik alleen maar ziek. Mijn huiswerk maken dat lukte niet, leren voor een toets ging al even slecht. Dus natuurlijk wou ik de dag erna niet naar school. En dat gebeurde steeds vaker én vaker én vaker. Waarom zou ik nog naar school gaan? Ik had er toch niemand en slagen voor die toets of die taak zou ik ook niet. “Wie had mij eigenlijk nog nodig?” “Waarom zou ik hier eigenlijk nog moeten zijn?” “Waarom zou ik doorgaan, terwijl ik dat al lang niet meer kon?” gedachten die bij een bijna-18-jarige niet zouden mogen voorkomen. Dan moet je denken aan het volgende feestje, aan afstuderen, aan die ene jongen, aan verder studeren, aan je leven. Maar ik zag niet in hoe ik verder kon leven. Verder leven zonder jou, mama. Zonder jij die me raad kon geven, die me kon steunen, die me kon helpen.
Er waren gelukkig wel een aantal mensen die zonder dat ze het zelf beseffen ervoor gezorgd hebben dat ik bleef vechten en bleef proberen om er het beste van te maken. Ook al vertelde ik ook niet aan hen hoe ik me écht voelde. Ik wist wel dat ik ze kon vertrouwen, maar toch vertrouwde ik hen niet genoeg te vertellen hoe ik me voelde. Dat ik het gevoel had dat ik het niet meer verdiende om er te zijn.
Na de zoveelste keer ziek zijn en na ontzettend slechte resultaten op school na de kerstexamens, wou de dokter eens met mij praten. Meer dan een uur heeft ze op mij in gepraat. Ik probeerde mijn tranen te verbergen, maar dat lukte niet meer. Ik ben ontzettend hard beginnen huilen in haar kantoor. Ze heeft me vastgepakt toen en zei: ‘Gwen, je moet hulp zoeken. Hulp die ik je niet kan geven, je moet professionele hulp zoeken. Dat moet je.’ Ik wou antwoorden met ‘dat wil ik niet.’ Maar ze blokkeerde mijn zin en zei: ‘Je moet. Want anders moeten we verdere stappen ondernemen.’
Papa en ik vonden vrij snel een psychologe. Een psychologe waar ik een klik mee had. Papa had haar al kort verteld wat mijn verhaal was en wat er aan de hand was. Maar ze liet het mij zelf vertellen. Ik ging voor het eerst bij haar in maart. Elke week één keer, een uur tot twee uur, en dat voor bijna zes maand lang. Bij haar sprak ik voor het eerst over mijn pijn, mijn verdriet en hoe vaak ik mezelf in slaap huilde, bij haar kon ik dat. Ik vertelde haar over de situatie op school en mijn angst om naar school te gaan. Alles kwam er eindelijk uit, alle opgekropte gevoelens, alle tranen, al het verdriet. Een gewicht viel van mijn schouders. Ik had voor het eerst het gevoel dat ik terug kon ademen.
Maar, wat met school? De kans dat ik moest blijven zitten, die was er. Ik knokte mij door mijn eindexamens. Ik moest en ik zou slagen. Want ik wou weg van die school, weg van die mensen, weg van dat zware jaar. Én het lukte mij. De woorden van mijn klasleerkracht hoor ik nog steeds: “Proficiat mannen, jullie zijn geslaagd!” Ik was zo gelukkig op dat moment, zo oprecht gelukkig. Eindelijk ik kon opnieuw beginnen. In die zomer was nog steeds niet alles toppie. Ik voelde me nog steeds heel slecht en had nog steeds niet veel fut. Ik ging wel nog steeds bij Nele, mijn psychologe. En telkens kreeg ik nieuwe inzichten en een betere kijk op het leven.
In september 2016 startte ik aan de hogeschool. Nieuwe omgeving, nieuwe mensen, nieuwe vrienden, zonder dat ze het weten hebben zij mij nieuwe adem gegeven. Adem die ik nodig had.
Ik stopte met mijn hobby. Een hobby die ik altijd graag heb gedaan, maar die onderdeel was van de oude ik en die niet paste bij hoe ik nu was. Die me vooral te veel herinnerde aan de zwarte periode. Het was een moeilijke beslissing. Een beslissing die me niet altijd in dank is afgenomen, maar een beslissing waar ik geen spijt van heb gehad.
Ook op die hogeschool had ik ups en downs. Uiteindelijk veranderde ik van opleiding. Maar ik heb geen spijt dat ik een paar jaar ‘vergooid’ heb. Want ik heb vrienden voor het leven gemaakt, heb ervaringen opgedaan die ik anders nooit had gehad. En waar ik nu zit, zit ik goed.
“Het gaat.” “Er is niets.” “Ik voel me prima.” “Ik kan het alleen.” Ik moet niet meer liegen als ik deze woorden zeg. Want het gaat echt wel, en er is niets, ik voel me echt prima en ik kan het echt alleen. Maar ik ben niet alleen. Ik heb mensen die voor me klaarstaan en mensen die ik kan vertrouwen. Dat weet ik nu. En ik accepteer nu ook de hulp, en ik weet dat het oké is om die te accepteren. Ik ben weer klaar voor het leven, ik zie weer een toekomst voor mezelf. Ik lach weer oprecht. Ik verberg geen tranen meer.
Af en toe heb ik nog eens een lastige dag, en er komen vast nog moeilijke momenten. Momenten waarop ik jou enorm zal missen, momenten die je gewoon had moeten meemaken. Maar dan weet ik dat je er altijd zal zijn, in mij. Want mama, het enige wat ik moet doen is in de spiegel kijken. Ik ga elke dag meer en meer op je lijken. En dat is iets waar ik verdomd trots op ben. Ik ben verdomd trots om te kunnen zeggen dat ik jouw dochter ben.
Mijn verdriet is een deeltje van mij. Het is iets wat me sterker maakt en waar ik kracht uithaal. Jij, papa, moeke, broer, pepé, meme en pepe, tante Petra, Lenka, Jochen, Liesbeth, Marijke, Shania, Eleni, en de rest van de familie en mijn vrienden Alexander, Laura, Eva, Laura, Elisa, Marieke, Joachim, Nienke, Amber, Lenia en zo vele anderen… Jullie hebben mij allemaal gemaakt tot de persoon die ik nu ben. En dat is een persoon waar ik heel trots op mag zijn.
En ik weet nu: Er ligt vast wel iets moois in ’t verschiet.
Liefs,
Gwen
xxx


























































